Zoals bij vele oude schapenrassen is de herkomst van het Jacobschaap in nevelen gehuld. De legende wil dat het dier zijn naam ontleent aan de bijbelse figuur van Jacob. Die mocht als beloning voor zijn goede prestaties uit de kudde van Laban (zijn oom) gevlekte schapen kiezen om mee verder te fokken. Wellicht komt het ras dus uit de “oude wereld”, een gebied dat we nu kennen als Syrië en omgeving. In onze regionen blijft dit toch echt een zeldzaam iets ! Het Jacobschaap is in de schapenwereld een bedreigde soort.
Dat we dit schapenras in het Turnhouts Vennengebied tegenkomen, heeft iets te maken met een bepaalde eigenschap van deze soort. Ze kunnen namelijk overleven op een zeer matige kwaliteit van grassen. De schapen zijn ook niet erg kieskeurig en eten zowat alle gras. Daarbij zijn ze ook uitermate sterk en weinig gevoelig voor ziektes. Voor kwekers is het zeer belangrijk dat de kleur van de wol bruin/wit of zwart/wit is. De kleurvakken in de wol moeten een strakke randafscheiding hebben zodat er mooie vlakken te zien zijn. De kleuren mogen dus niet door elkaar lopen. De wol is van goede kwaliteit.
Het meest opvallende aan het Jacobschaap zijn toch wel de hoorns. Die hoorns kunnen klein maar ook best groot zijn, ze komen echt in allerlei vormen voor. Meestal hebben ooien twee hoorns, rammen kunnen er wel zes hebben. Kwekers gaan voor mooie symmetrische vormen, bijvoorbeeld twee hoorns naar voor gericht en twee opzij. Het is echter de natuur die de vorm bepaald waarbij ook volledig hoornloze exemplaren voorkomen.
Deze alerte maar wat schuwe en fiere schapen worden ook wel eens ingezet op kinderboerderijen. Dat zegt veel over het vriendelijke karakter van de dieren. Toch maar opletten met die hoorns!
Fons Adams
