In onze tuinen en in de natuur komen veel soorten wantsen voor. De meest voorkomende soorten zijn de groene en de grauwe wants. Vuurwantsen zijn de felst gekleurde exemplaren van hun soort. Met die felrode kleuren zeggen ze in de natuur 'Ik ben gevaarlijk of giftig, eet mij zeker niet op!'. Vinken en putters zijn zowat de enige soort vogels die zich daar niks van aantrekken en vrolijk vuurwantsen verorberen.
Ze zijn voor ons volkomen onschuldig omdat ze met hun zuigsnuit enkel sappen uit afgewaaide bladeren of dode bladeren zuigen. Ze zuigen ook dode insecten of soortgenoten leeg. Echt vervelend worden ze pas als ze je deurdorpel of je vensterbank met tientallen inpalmen. Als je ze vastpakt of plattrapt, geven ze een zeer penetrante geur af die wat doet denken aan ammoniak of zeer vuil afvalwater. Vandaar dat ze in de volksmond stinkwantsen worden genoemd.
Als in de lente de zonnestralen warmer worden, komen ze soms heel massaal tevoorschijn (bijvoorbeeld aan de voet van lindebomen). En dan willen ze maar één ding: rampetampen, rampetampen! Iemand vroeg mij ooit 'Waarom hangen die zo vaak aan elkaar?' Ja, die zijn het aan ’t doen hé. Pittig detail daarbij: de paring duurt minimaal 12 tot 36 uur. Sommige exemplaren houden het tot twaalf dagen vol, onafgebroken...
De mannetjes doen dat om te voorkomen dat hun vrouwtje met anderen kan paren. Door die lange paring kan één mannetje ook meerdere eilegsels bevruchten.
Maar of dat lange paren fysiek uitputtend is of dat beiden er nog van kunnen genieten, dat is weer een ander verhaal.